Weg baan

AAC is meer baan dan weg. Altijd zo geweest. Ik kan het weten want ik ren al bijna 30 jaar op deze baan terwijl ik toch weg ben van de weg. De sleutel van de weg zit namelijk in de baan. Als je echt snel wil worden, zijn de harde kilometers op de baan onontbeerlijk.
Een gids heb je niet echt nodig op de baan. Links aanhouden, dan kom je er wel. Een baken is wel handig. Wijlen de heer Fleer was zo’n baken. Hij stond er. Altijd. Zelfs als het met bakken uit de hemel kwam, stond wijlen de heer Fleer onder zijn paraplu bij de finishlijn en riep “één-en-tachtig, twee- en-tachtig”. Een monument. Wij liepen naar meneer Fleer en smachtten naar zijn rondetijden. Hij was er voor ons en wij voor hem.
Ik liep ‘slechts’ 36 op de 10, maar zelfs toen ik lage 33-ers op de klokken bracht was dat onvoldoende om toegelaten tot de selectie. Bob Boverman en later Gerard van Lent konden beschikken over zeker 15 atleten die 31 of harder liepen. Ik liep dus in de Algemene Groep die ik zelf liever preselectie noemde.
Nu is de spoeling dun en niet alleen bij AAC. De top is smal en de berg is breed. Iedereen loopt. Kwantiteit voor kwaliteit. Tienduizenden inschrijvingen bij de grote evenementen. En allemaal trainen ze hetzelfde rondje in het- zelfde tempo. Genoeg om te finishen en te weinig om te verbeteren. Het li- chaam krijgt geen prikkels.
Dus loop ik nog steeds op het heilige tartan van AAC. Ik ben weg van die baan en baan me een weg door al die Damlopers die hun zittend bestaan en slechte eetgewoonten op gelegen tijden onderbreken voor puffend en hijgend draafwerk. Wisten ze maar wat ik weet. De baan, mijn baan bij AAC, daar worden dravers lopers en lopers atleten.
(Column Paul Bierman, eerder verschenen in nieuwsbrief AAC augustus 2011)